Dividendrendement als maatstaf bij het vuil

Dividendrendement als maatstaf bij het vuil

‘A Practical History of Financial Markets’, de titel van mijn column was de naam van de cursus die ik afgelopen week in Londen heb gevolgd. Gedurende twee dagen werd aan de hand van 200 jaar financiële geschiedenis de huidige marktomstandigheden in kaart gebracht. Veel onderwerpen passeerden de revue. Bijvoorbeeld het beleggen tijdens periodes van inflatie, disinflatie en deflatie. De werking van (centrale) banken en hoe de monetaire verruiming doorwerkt op vermogenswaarden, de reële economie en uiteindelijk inflatie.

Ook is er zeer kritisch gekeken naar marktindicatoren die wel en niet werken. Dividend rendement en koers/winstverhouding kunnen bijvoorbeeld gelijk de vuilnisbak in na het volgen van deze cursus.

Uitvoerig is uitgelegd waarom deze indicatoren geen waarde hebben voor een belegger om te bepalen of een belegging interessant is. Indicatoren die juist wel werken zijn wellicht wat minder bekend maar goed bruikbaar. Denk dan aan Tobin’s Q en de voor seizoen gevoeligheid gecorrigeerde koers/winst verhouding (CAPE) van een aandelenindex of bedrijf.

Voorspellen lastig
Uitermate interessant om als belegger met een selecte groep specialisten over deze diverse economische aspecten les te krijgen en dit te vertalen naar de huidige praktijk waarin we ons bevinden.
Om vanuit deze variabelen een zinnig toekomstbeeld te schetsen blijft lastig, ook voor de professoren op hun gebied afzonderlijk. Tobin’s Q bijvoorbeeld geeft inzicht in hoeverre de marktwaarde van een bedrijf boven of onder de totale productiewaarde van het bedrijf ligt. Zo kan je als belegger een redelijk objectieve inschatting maken of de prijs die je voor je aandelen betaalt ietwat hoog is of juist een koopje betekent ten opzichte van de productiewaarde van het bedrijf zelf.

Markt duur
Op dit moment staat deze indicator ongeveer 66 procent boven de productiewaarde van large cap bedrijven in de Verenigde Staten. Dat is buiten de dotcom bubbel niet eerder voorgekomen in de geschiedenis. Dus ook niet in 1929, 1987 en 2007.
De CAPE indicator toont momenteel soortgelijke hoge waarden in de aandelenmarkten. Vanuit deze achtergrond oogt de markt duur en is deze wellicht wat te sterk vooruit gelopen op de monetaire verruimingsverwachtingen.

Effect op obligatiemarkten
Dit is namelijk een ander onderwerp wat aan de orde kwam in Londen. Keer op keer als centrale en/of commerciële banken in het verleden de geldhoeveelheid verruimden dan bracht dit een positief effect mee voor de aandelen- en obligatiemarkten. Na 6 tot 12 maanden werd dit gevolgd door de reële economie en na 12 tot 24 maanden volgde de inflatie.
Althans volgens de tekstboeken. Want in de praktijk volgt inflatie nog niet na de inmiddels 6 jaar lang toegepaste monetaire verruiming in de Verenigde Staten. Dit hangt weer samen met het gegeven dat banken de transmissie niet doorzetten met het uitzetten van meer leningen aan het publiek.
Keer op keer als de geldpers wordt stop gezet valt ook de leencapaciteit van banken weg en stopt direct de M3 geldgroei weer. Dit geldt niet alleen voor de VS maar ook voor Engeland en Japan waar men alweer enkele QE programma’s achter de rug heeft.

Stijgende koersen
Daar ligt dan ook het probleem. De aanbodkant van de economie wordt flink gestimuleerd met als gevolg stijgende aandelen en obligatiekoersen. Alleen de vraagkant van een economie kunnen (centrale) banken moeilijker beïnvloeden. Dat is op zich niet vreemd in Europa. Er is nog altijd een hoge werkloosheid in de hele unie samen met grote overheidstekorten en veel particulieren die met hun hypotheek niet uitkomen.
Zodra er wat ruimte komt zal een particulier dus eerder willen aflossen en schuldvermindering creëren dan een nieuwe auto of aanbouw aan te schaffen. Dat laatste is wat de ECB graag zou zien terwijl dat eerste gebeurt.
Aflossen van schuld is in bankiersogen geldvernietiging. Er wordt immers geld uit het systeem gehaald met als gevolg dat de M3 geldhoeveelheid afneemt. Een dalende M3 impliceert weer lagere groei, druk op prijzen (deflatie) en meer noodzaak tot een volgende ronde van monetaire verruiming.

Schuld aflossen is geldvernietiging
De Bank of England heeft hier momenteel alweer last van. M3 geldgroei daalt weer richting 0% terwijl er reeds twee keer monetair verruimd is. Dit is tekenend voor wat het brede publiek voorlopig wil doen met extra geld in de economie. Schulden aflossen oftewel geldvernietiging. QE3 staat dan ook op stapel in het Verenigd Koninkrijk.
Ook de ECB wil nu dus de M3 geldgroei omhoog helpen. Dit heeft direct zijn effect op aandelen- en obligatiekoersen zoals we hebben gemerkt. Over 6 tot 12 maanden merken we dit als het goed is aan de economische groei en over 12 tot 24 maanden aan de aantrekkende inflatie. Volgens de tekstboeken dan, zodra de vraagkant van de economie ook zin krijgt om te kopen.

Inflatie beteugelen
In de VS is de aantrekkende inflatie (nog) niet naar voren gekomen. Het is wel van groot belang om dit goed te volgen als belegger. Historisch gezien heeft een inflatie die 4 procent aantikt ervoor gezorgd dat (centrale) banken maatregelen treffen om de inflatie te beteugelen. Het hierboven genoemde verhaal werkt dan juist precies weer andersom.
Om de inflatie tegen te gaan zal een centrale bank geld uit het systeem halen en dus M3 omlaag brengen. Dat vinden aandelen- en obligatiemarkten niet prettig en dalen derhalve fors op dat soort berichtgeving.
Al met al een zeer interessante tijdsinvestering en ik hoop u daarin iets te hebben bij kunnen brengen. Bij verdere vragen ter verduidelijking mail mij gerust.

2015-05-17T14:53:48+00:00 april 2nd, 2015|Columns, Richard Abma|