Actief beleggen in obligaties

Als portefeuille manager van het Fresh Fixed Income Fund (FFIF) ben ik verantwoordelijk voor het selecteren van de obligatiebeleggingen van het fonds samen met het bepalen van de rentegevoeligheid van de portefeuille. Beide variabelen zijn bepalend voor het te verwachten rendement van het fonds.

Het kiezen van obligaties ter belegging is daarbij lastiger dan het selecteren van een aandeel in een aandelenfonds. Dat komt vooral doordat van bijvoorbeeld Abn Amro maar 1 aandeel beschikbaar is die gekocht kan worden, terwijl er voor diezelfde naam wel meer dan 250 obligaties uitstaan. Veelal verschillen deze obligaties enkel in looptijd, valuta of couponrente. De couponrente wordt immers bepaald door de marktrente op het moment van uitgifte samen met een kredietopslag. De hoogte van de kredietopslag hangt weer samen met de kredietwaardigheid van het bedrijf op het moment van uitgifte van de obligatielening. Ook kan het type obligatie flink verschillen, het kan achtergesteld zijn aan andere leningen, het kan een convertible zijn maar ook kunnen er zogenaamde gestructureerde obligaties zijn uitgegeven met zeer uiteenlopende achterliggende redenen.

Voor mij is er dan ook dagelijks voldoende werk om uit te zoeken of er kansen zijn in obligatieland of dat er vanuit de bestaande beleggingen juist bedreigingen aan de horizon zijn waar ik op moet letten. In eerdere columns haalde ik daarbij de obligaties van Levi Strauss & Co en bad bank KA Finanz aan. Beide obligaties presteren nog altijd prima in de portefeuille. Met een gemiddeld netto rendement in 2017 van 2,8% heeft ons defensief ingerichte obligatiefonds prima gepresteerd. Ik vergelijk het wel eens met sparen maar dan met een lager risico voor vermogen boven het depositogarantiebedrag Dit komt door de brede spreiding met een gemiddelde aantrekkelijke kredietwaardigheid van BBB wat een prima alternatief biedt om vermogen beter te laten renderen.

Sinds het begin van dit jaar is daarbij de performance van het FFIF verder opgelopen met bijna 1% in de eerste weken van januari. Dit komt voornamelijk doordat bedrijfsobligaties sinds begin dit jaar agressief worden gekocht door institutionele beleggers. Het is risk on voorlopig bij beleggers. Dat blijkt ook uit een andere variabele die van belang is bij het managen van een obligatiefonds, de rentegevoeligheid. Over alle looptijden bezien stijgen rentes redelijk fors sinds eind 2017. De 2-jaars risicovrije rente is met tientallen basispunten opgelopen in korte tijd, ook de 10-jaars rente noteert zo’n 20 basispunten hoger dan eind 2017.

Ons fonds kent een gemiddelde looptijd van 6 tot 7 jaar. Dat betekent dat na die periode de hele portefeuille van 100 miljoen euro is afgelost en opnieuw moet worden belegd. In de praktijk herbeleggen we gedurende de jaren aangezien de 160 namen in het fonds verschillende looptijden hebben. Normaal gesproken daalt de waarde van een obligatie bij een stijgende rente. Immers de gemiddelde looptijd is 7 jaar dus zodra de 7-jaars rente met 1% stijgt dan daalt de waarde van het fonds met 7%. Veel obligatiefondsen ondervinden daar op dit moment hinder van en hebben moeite om het hoofd boven water te houden, wat rendement betreft.

In het Fresh Fixed Income Fund hebben we dit risico afgedekt door de rentegevoeligheid te verkorten naar 0,3 jaar. Deze actieve benadering van renterisico’s te beperken heeft een belangrijke invloed gehad op de resultaten van ons fonds. In de figuur is ook duidelijk waarneembaar dat actieve obligatieselectie samen met een actieve benadering van de rentegevoeligheid van een obligatiefonds kan leiden tot een mooie out performance ten opzichte van passief ingerichte obligatiefondsen. Op morningstar.nl kunnen gemakkelijk vergelijkingen tussen diverse fondsen gemaakt worden.

 

http://www.morningstar.nl/nl/funds/snapshot/snapshot.aspx?id=F00000YCWK&tab=13

Bron: Morningstar

2018-01-18T09:00:14+00:00januari 18th, 2018|- Columns, Richard Abma|