Brussel wil van euro dé wereldmunt maken

Een paar dagen geleden was het weer zover: de voorzitter van de Europese Commissie sprak in het Europees Parlement zijn jaarlijkse State of the European Union uit.

Als monetair econoom vond ik het slotstuk van de toespraak van Jean-Claude Juncker het meest interessant. Hij stond namelijk even stil bij het feit dat de euro in 2019 twintig jaar bestaat. In tegenstelling tot wat velen dachten, hoopten of vreesden –dat we anno 2018 een in memoriam voor de eenheidsmunt zouden schrijven– is de euro na de Amerikaanse dollar ’s werelds meest gebruikte valuta.

Nóg belangrijker

Ongeveer de helft van alle spullen die bedrijven uit de eurozone verkopen buiten de muntunie wordt tegenwoordig afgerekend in euro’s. Zestig landen in de wereld hebben hun nationale munt op de een of andere manier gekoppeld aan de euro. „Maar we moeten meer doen om onze gemeenschappelijke munt nog belangrijker te laten worden”, zei Juncker. Het is volgens hem „absurd” dat de eurolanden 80 procent van alle olie die ze invoeren –waarde 300 miljard euro per jaar– in dollars afrekenen, terwijl slechts 2 procent van onze energie-invoer uit de VS komt. Of dat Europese luchtvaartmaatschappijen Airbusvliegtuigen in dollars betalen in plaats van in euro’s. Dat kan en moet anders, vindt Juncker. De Europese Commissie zal binnenkort voorstellen doen om het gebruik van de euro in de internationale handel op te krikken.

Het is de vraag hoe Brussel dat voor elkaar wil krijgen. De EU gaat toch geen marketingcampagnes met spotjes en folders lanceren om Chinezen, Congolezen of Chilenen te stimuleren eens wat vaker de euro te gebruiken? En ze gaat toch ook niet de dollargeldautomaten die je onder meer op Schiphol ziet, verbieden? Daarnaast vraag ik me af of het überhaupt wenselijk is wat Juncker voorstaat.

Actief beleid

Hoe nobel en begrijpelijk dat streven ook is om de euro belangrijker te maken, volgens mij moet zoiets vanzelf ontstaan in plaats dat de politiek er een actief beleid op gaat voeren – met, niet te vergeten, alle kosten die dat mee zou brengen. Ofwel: mooi als bijvoorbeeld een Argentijns bedrijf goederen levert aan een klant in Australië en die met euro’s laat betalen omdat beide het volste vertrouwen in de Europese munt hebben, maar de Europese autoriteiten moeten dat niet actief stimuleren. Dat wil overigens niet zeggen dat de eurozone helemaal niets hoeft te doen. Integendeel. Dat Argentijnse bedrijf zal zijn Australische afnemer immers alleen een factuur in euro’s sturen als het erop vertrouwt dat de euro er over vijf jaar nog is, én dat de munt in de toekomst niet minder waard is.

Zich aan de regels houden

Brussel en Frankfurt –zetel van de Europese Centrale Bank– moeten aan de bak om ervoor te zorgen dat de euro ook zijn 25e en 30e verjaardag kan vieren. Niet met campagnes, folders en wat dies meer zij, maar door ervoor te zorgen dat de eurolanden zich houden aan de eigen regels. Bijvoorbeeld dat ze hun begrotingen op orde brengen en houden. En de ECB moet het beperken van de inflatie vooropstellen, en niet de indruk wekken dat hij zwakke landen zoals Italië helpt. De strijd om de euro in Peking, Buenos Aires en Bamako aan meer fans te helpen, begint met streng zijn tegen Rome en Parijs.

Deze column is 15 september jl. gepuibliceerd in het RD. 

2018-09-17T08:40:55+00:00september 17th, 2018|- Columns, Edin Mujagić|