Dit is waar elke econoom hoofdpijn van krijgt

Het opkoopprogramma van de Europese Centrale Bank was bedoeld om de inflatie aan te wakkeren. Maar ondanks de tientallen miljarden die elke maand in de economie worden gesluisd, wil dat maar niet vlotten. Waarom werkt het beleid van Draghi niet?

De maand maart heeft een prominente plek in de monetaire geschiedenis van de eurozone. Op 9 maart 2015 begon de bank met het op grote schaal opkopen van staatsobligaties van eurolanden, het zogeheten quantitative easing. Per maand gaf de bank er 60 miljard euro aan uit. Dat is 22.401 euro per seconde of, zo u wilt: elke maand werden de economieën van Letland en Estland erbij ‘gedrukt’. Op 10 maart 2016 voerde de ECB dat op tot 80 miljard per maand. Ook werd het programma uitgebreid naar bedrijfsobligaties. Sindsdien wordt er in de eurozone elke maand een ’Slowakije’ uit de monetaire hoed getoverd.

Het doel van dit monetaire experiment – waarbij historische gezien enorme hoeveelheden nieuw geld in de economie werden gebracht – was om de prijzen in de eurozone omhoog te jagen. De inflatie in maart 2015 bedroeg -0,1 procent, een val naar het deflatie-ravijn dreigde. De ECB was en is als de dood voor dalende prijzen. Bovendien is de doelstelling van de bank dat de prijzen elk jaar met ongeveer 2 procent moeten stijgen. Die angst voor deflatie en de wil om te voldoen aan de taak omschreven in het Verdrag van Maastricht, zette de Europese monetaire ridders ertoe de spreekwoordelijke geldpersen aan te zetten.

Als we het economisch landschap in het euroland twee jaar later aanschouwen, dan zien we dat de inflatiebloemen eindelijk beginnen te bloeien. De prijzen liggen inmiddels tussen 1 en 1,5 procent hoger dan een jaar geleden. Daarmee is het deflatiegevaar geweken, maar krijgt de ECB nog steeds wel een onvoldoende op het rapport want de prijzen stijgen nog steeds te langzaam. Uit de berekeningen die de economen van de bank maken, blijkt bovendien dat de prijsstijgingen tot en met 2020 te laag zullen blijven, zelfs als de ECB al die tijd de rente op 0 procent houdt.

En dat bezorgt veel economen, zowel in en als buiten de ECB, hoofdpijn. Het staat namelijk haaks op alles wat ze tijdens hun studie en daarna hebben geleerd. Wil je inflatie hebben, dan moet je de rente verlagen en de geldpersen aanzetten, luidt één van de lessen. Nu heeft de ECB beide gedaan, maar het helpt nauwelijks. Ondanks de enorme hoeveelheden geld, stellen de prijsstijgingen tot nu toe maar weinig voor. Vreemd? Nou, niet echt. Dat zit zo. De prijzen in de eurozone stijgen niet sneller ondanks, maar dankzij het ECB-beleid.

Voor de goede orde: de genoemde les – te veel geld in de econome leidt vroeg of laat tot hoge inflatie –  gaat nog steeds op. Door allerlei oorzaken lijkt het nu alleen eerder laat dan vroeg te gebeuren. Maar dat is een ander verhaal. Op de wat kortere termijn kan het effect echter juist omgekeerde zijn: het extra geld in de economie laten stromen kan ook juist zorgen voor neerwaartse druk op de prijzen. Om dat te begrijpen, moeten we terug naar de basis.

De kern van de economische wetenschap is de wet van vraag en aanbod. Die wet gaat voor alles op, ook voor de prijzen. Die gaan stijgen als de vraag het aanbod overtreft.  De prijzen dalen als het aanbod groter is dan de vraag. Zijn de twee min of meer gelijk aan elkaar, dan bewegen de prijzen niet of nauwelijks.

Laten we met die wet in het achterhoofd kijken naar het beleid van de ECB. Een van de gevolgen van het beleid van de bank uit Frankfurt is dat bedrijven die eigenlijk geen bestaansrecht hebben (lees: niet levensvatbaar bij een normale rentestand) niet omvallen. Zij blijven dus produceren, waardoor het aanbod van goederen en diensten hoog blijft.

Kijken we naar de vraag, dan zien we daar het volgende gevolg van het beleid van Draghi & Co. Als de lage rente consumptie aanjaagt – dé voorwaarde voor stijgende prijzen omdat stijgende consumptie een hogere vraag betekent – dan komt dat doordat mensen bijvoorbeeld minder gaan sparen en dus een groter deel van hun inkomen spenderen. De lage rente van de ECB en in het kielzog daarvan de lage spaarrente, heeft daar echter niet echt voor gezorgd.

Uit cijfers van De Nederlandsche Bank (DNB) blijkt bijvoorbeeld dat de Nederlanders sinds 2014 ietsje meer zijn gaan sparen. Lag er begin 2014 nog 332 miljard euro op de Nederlandse spaarrekeningen, begin dit jaar was dat 342 miljard euro. De achterliggende redenering kan zijn dat mensen meer gaan sparen doordat ze geen rente krijgen over hun spaartegoed. Zo kunnen ze hun streefbedrag toch nog halen. Nog een mogelijke reden: ze merken dat hun pensioenaanspraken kleiner zijn geworden doordat hun pensioenfonds last heeft van de lage rente en zetten meer geld opzij.

We kunnen dus stellen dat het beleid van de ECB er enerzijds voor zorgt dat het aanbod hoog blijft en anderzijds dat de vraag onder neerwaartse druk staat, of tenminste niet snel stijgt. Neem die twee samen en je hoeft geen econoom te zijn om te weten dat de economie lijdt aan een ernstige ziekte: te veel aanbod en te weinig vraag. Met als één van de symptomen die hardnekkige, langdurig lage inflatie.

Zo bezien zorgt de ECB er met haar beleid juist voor dat de bank haar eigen inflatiedoelstelling de afgelopen jaren niet heeft gehaald. Volgens de eigen ramingen zal ze die ook de komende jaren niet zal halen. Het is contra-intuïtief, maar wellicht dat de ECB alleen de gehoopte inflatie kan bewerkstelligen als ze zo snel mogelijk stopt met het opkopen van staatsobligaties en de rente langzaam gaat verhogen.

Dit artikel verscheen op FTM.nl per 26 maart jl.

2018-03-27T08:39:09+00:00maart 27th, 2018|- Columns, Edin Mujagić|