De euro viert dit jaar zijn twintigjarig bestaan. De laatste crisis betekende bijna de doodsteek voor de munt. Begrotingsdiscipline zorgt eerder voor de redding, dan het optuigen van de muntunie.

Om te voorkomen dat het voortbestaan ervan bij een volgende crisis weer in gevaar komt, werken de eurolanden al enige tijd aan een verbouwing van de muntunie. Een eurozonebegroting is het laatste voorbeeld. Wanneer we, Deo Volente, in 2029 het dertigjarig bestaan van de munt vieren, zullen ook het eurozone Ministerie van Financiën en gezamenlijke staatsobligaties heel gewoon zijn. De redding moet echter heel anders.

De hoge schulden van veel eurolanden vormt hét probleem dat in de eurozone bij elke laagconjunctuur in de toekomst voor spanningen tussen de landen zal zorgen. Het monetaire beleid zal namelijk altijd afgestemd worden op de noden van de zwakke eurolanden. In het bestuur van de Europese Centrale Bank heeft immers elk euroland minstens één vertegenwoordiger en heeft iedereen één stem.

Daarnaast bekommeren de leden zich in de praktijk vooral om hun landsbelang en niet zozeer over het belang van de eurozone als geheel. Ofwel: het schuldenprobleem blijft in stand met kunst- en vliegwerk. De sterke eurolanden betalen daarvoor de prijs.

Wie van de eurozone een stabiele muntunie wil maken, moet iets aan die te hoge schulden doen. Die afschrijven, is geen oplossing. Binnen no time zouden de zwakke landen nieuwe schulden opbouwen, in de wetenschap dat ze vast nog een keer kunnen rekenen op afschrijving. Al die schulden gemeenschappelijk maken, kan tot woede leiden. Daardoor kunnen een of meer sterke landen tegen beter weten in de euro vaarwel zeggen. Ook geen oplossing.

De beste manier om de tikkende schuldenbom onder de euro te ontmantelen, is de schulden te verlagen via de weg van hogere economische groei. Als het bruto binnenlands product (bbp) sneller toeneemt dan de schulden, dan dalen de nationale schulden. Wat we in de eurozone dus nodig hebben is enerzijds meer begrotingsdiscipline (zodat de teller niet veel hoger wordt) en anderzijds hogere economische groei (zodat de noemer wel veel hoger wordt).

Doorgaans bestaat er geen wondermiddel dat de groei fors, snel en langdurig aanjaagt. Meer overheidsinvesteringen kunnen wel zorgen voor forse en snelle groei, maar niet op lange termijn. Investeringen in onderwijs en onderzoek stuwen de groei fors en langdurig, echter niet snel.

De eurozone heeft zo’n middel wel: de interne markt voor diensten. Die is er in de praktijk nog niet echt. Daarmee kan de economische groei met tussen 5 en bijna 9 procent opgestuwd worden, schatten experts. Stel dat de helft daarvan reëler is. Dan nog zouden groeipercentages van 4 procent en meer heel normaal zijn.

Voor de overheden zou dat flink meer inkomsten uit belastingen en minder uitgaven (minder werklozen, minder toeslagen nodig) betekenen. Reken er dan maar op dat die schuldenberg als sneeuw voor de zon zou smelten, mits – en dat is cruciaal – de Europese Commissie het niet toestaat dat de eurolanden dat financiële voordeel verkwisten. Begrotingsdiscipline is dus, hoe je het ook wendt of keert, de sleutel voor eurosucces.

Deze column is 5 januari jl. gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad