Al 27 jaar spreek ik elke zomer oude schoolgenoten in ons geboortestadje in Bosnië. Ze geloven niet dat ik bij mijn pensionering kan rekenen op een prima inkomen, betaald door de werkgever.

De een wil een tweede appartement kopen voor verhuur, een ander wil een verzekering afsluiten bij wijze van pensioen. Iemand anders geloofde in sparen.

Als ik vertelde hoe ons pensioenstelsel in Nederland werkt, ging dat er om een of andere reden gewoon niet in. Zeker niet als ik opmerkte dat die uitkering bovenop een keurige AOW kwam.

Aan die gesprekken moet ik de laatste tijd elke keer denken als ik weer eens een discussie hoor of lees over ons pensioenstelsel. Of hoe ontevreden de Nederlander er over is. Ik krijg stellig de indruk dat veel Nederlanders geen idee hebben hoe luxe ons pensioenprobleem is. Zo goed dat alle andere landen maar wat graag ons probleem willen hebben.

Wij praten over de verdeling van circa 1.500 miljard euro. Dat is de totale economie van Rusland of Australië of, dichter bij huis, de economieën van Noorwegen, Zweden, Denemarken en Finland samen. Andere landen hebben vaak níets te verdelen. Waar onze pensioenreserves zo’n 170 procent van onze economie bedragen, moeten de Duitsers het doen met 6,7 procent, de Belgen met iets meer dan 7 procent en de Fransen met 0,7 procent! Hun pensioenen moeten komen uit belastingen opgehoest door werkenden in de toekomst, een groep die in elk Westers land snel slinkt en steeds sneller zal slinken.

In plaats van blij te zijn, rekenen we onszelf arm. Wij blijven maar rekenen hoeveel geld we nodig hebben voor fatsoenlijke pensioenuitkeringen. Die zelfkastijding leidt ertoe dat in plaats van blij te zijn, de Nederlander juist extra onzeker wordt over zijn oude dag. Als ik mijn vrienden ooit kan overtuigen dat ons pensioenstelsel echt zo in elkaar steekt als wat ik ze vertel, zal ik er een onmogelijke opgave bij krijgen: hen uitleggen dat we ons toch grote zorgen maken over onze pensioenen.

En dan heb ik het er nog niet over dat je zo’n pensioenregeling hebt in een land dat ook nog een niet bescheiden AOW kent, extra pensioenvoorzieningen nemen fiscaal stimuleert én de kwaliteit van het leven er zeer hoog is.

Eerder deze week is het jaarlijkse lijstje van het World Economic Forum, met de meest competitieve landen in de wereld, uitgekomen. Nederland is nummer 1 van Europa en nummer 4 van de wereld. Van de tien subcategorieën zitten wij in maar liefst zes ervan in de top tien. Voor macro-economische stabiliteit, niet onbelangrijk, krijgen we zelfs de maximale score, 100.

Qua infrastructuur is er maar één land dat het, marginaal, beter voor elkaar heeft. Zakelijke dynamiek is alleen in de VS iets groter. In het innoveren, dus waar onze toekomstige welvaart vandaan moet komen , zitten we in de top-tien. De kwaliteit en professionaliteit van onze instituties wekken jaloezie wereldwijd.

Als er een lijstje van de gekste landen ter wereld zou zijn, zouden wij fier bovenaan staan als de rest van de wereld iets mee zou krijgen van waar we ons grote zorgen over maken en waar we over ruziën. Wij leven in het, in veel opzichten, beste land ter wereld. Laten we dat elke dag herhalen want blijkbaar zijn er die dat vergeten.

Deze column is 12 oktober jl. gepubliceerd in RD.nl