De langetermijnrentes zag ik in de afgelopen maanden aanmerkelijk dalen. In de VS zakte de tienjarige staatsrente van circa 3,25 procent begin oktober naar 2,5 procent op het moment. De Duitse evenknie tuimelde in dezelfde periode van bijna 0,6 procent naar 0 procent of licht eronder in de afgelopen dagen.

Belangrijke redenen voor die dalingen zoek ik op het groei- c.q. inflatiefront en de stemming onder de centrale bankiers:

  • In de laatste maanden is de economische groei, vooral in Europa, aanmerkelijk vertraagd en zijn de groeiverwachtingen behoorlijk omlaag bijgesteld.
  • Hetzelfde geldt voor inflatie- en inflatieverwachtingen.
  • De Fed heeft een scherpe draai gemaakt, van de vraag of de rente 3 of 4 keer verhoogd zal worden dit jaar naar de vraag of de rente onveranderd zal blijven of gekortwiekt wordt.
  • De ECB heeft de geplande renteverhoging voor de herfst van dit jaar uitgesteld naar 2020 en onderstreept keer op keer dat de lat voor een herstart van kwantitatieve verruiming veel lager ligt dan in het verleden.

Lagere groei op komst?

Lagere groei- en inflatie(verwachtingen) en de verwachtingen dat het monetaire beleid ruimer wordt, hebben de langetermijnrentes in eerste instantie omlaag gedrukt. De vraag die nu heerst is, wat kunnen we de komende kwartalen verwachten?

Sinds de economische activiteit afgenomen is in de wereld, hebben de autoriteiten niet stil gezeten. Zo hebben de centrale banken wereldwijd de monetaire sluizen weer opengezet. Vooral in China deed de overheid daarnaast ook een behoorlijke duit in het zakje. Aannemende dat China en de VS hun handelsruzie binnenkort bijleggen en de handelsspanningen tussen Washington en Brussel niet escaleren, zou het niet verbazen als de genomen maatregelen richting het einde van het jaar de groei licht opstuwen. Dat is overigens ook de verwachting bij het Internationaal Monetair Fonds, zoals eerder deze week bleek uit de bijgewerkte ramingen voor onder meer de economische groei in de wereld.

Stijgend inflatie in het vooruitzicht

De inflatie kan de komende maanden weer enigszins gaan klimmen, gedragen door de behoorlijke stijging van de olieprijs sinds het begin van het jaar. Voor de inflatieberekening is namelijk de verhouding tussen de olieprijs op het moment van inflatieberekening en 12 maanden eerder, relevant. Op het moment kost een vat Brent olie ongeveer 70 dollar. Gemiddeld genomen kostte een vat zwarte goud tussen maart en mei 2018 ook ongeveer 70 dollar. Tussen mei en augustus bedroeg dat gemiddelde circa 74 dollar om daarna tot oktober op te lopen tot 80 dollar. Tussen begin oktober en eind van het jaar tuimelde de olieprijs van circa 85 dollar naar 50 dollar, wat voor die periode een gemiddelde prijs van ongeveer 65 dollar oplevert.

Hogere rentes op komst

Als we als basisscenario nemen dat de olieprijs de rest van het jaar ongewijzigd blijft, dan zal er de komende maanden licht opwaartse druk uit de olieprijshoek uitgaan op de inflatie en zal de neerwaartse druk in de maanden erna minder prominent zijn dan eerder verwacht werd, toen de olieprijs stukken lager stond. Looninflatie geeft daarnaast momenteel juist een opwaartse druk aan het inflatiecijfer in zijn geheel.

Bovenstaande cijfers die wijzen op stijgende inflatie en aantrekkende groei. De recente beweging van dalende rentes kan beleggers daarom nog wel eens op het verkeerde been hebben gezet met als gevolg straks sterk aantrekkende rentes. Het zou immers niet voor het eerst zijn dat langetermijnrentes met groei en inflatiecijfers omhoog meegetrokken worden.

 

Deze column is 11 april jl. gepubliceerd in DFT.nl