Er was eens een tijd waarin elke centrale bank zijn eigen rente kon bepalen zonder dat dit gevolgen had voor andere landen. Dat was bijvoorbeeld in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw het geval.

Dat kwam in de eerste plaats doordat het internationale kapitaalverkeer toen niet vrij was. Geld overmaken van het ene naar het andere land was niet alleen duur, maar vaak ook beperkt of zelfs helemaal niet mogelijk.

In Nederland was toestemming van De Nederlandsche Bank (DNB) vereist. Als iemand buitenlands geld nodig had omdat hij op reis ging, moest hij een vergunning aanvragen bij de afdeling deviezenvergunning. Daar werd geloot om te bepalen wiens aanvraag (deels) gehonoreerd zou worden. Velen kregen nul op het rekest.

Buitenlands geld op zak hebben zonder een vergunning, was strafbaar. In Amsterdam trof de politie eens een straathandelaar aan met twee Britse ponden die hij niet kon verantwoorden. Dat leverde hem drie weken gevangenisverblijf op.

Een andere reden waarom elk land zich kon beschouwen als een soort monetair eiland, was dat globalisering in die tijd zeker niet de werkelijkheid van alle dag was.

Het bovenstaande betekende dat er weinig geld over de grenzen stroomde. Hoe anders is het tegenwoordig. Zodra de rente in een land iets daalt of stijgt, vloeien duizenden miljarden dat land uit of in; valutahandelaren zien er winst in en handelen in een mum van tijd.

De landen zijn geen monetaire eilanden meer, de wereld is in dit opzicht één grote polder geworden. Een van de gevolgen is dat dit het werk van de centrale banken zeer lastig maakt. Hieraan moest ik de laatste tijd denken, toen eerst Argentinië en daarna Turkije in financieel zwaar weer kwam.

Dé reden waarom die landen in problemen raakten, is de jarenlang lage rente in met name de VS. De centrale bank, de Fed, hield die op 0 procent. Door het vrije kapitaalverkeer konden bedrijven, banken, huishoudens en overheden uit andere landen daar op grote schaal gebruik van maken. Zij namen veel leningen op in dollars.

Sinds kort verhoogt de centrale bank in Washington de rente echter. Dat maakt de dollar aantrekkelijker –het bezit ervan levert nu meer op– en daarmee duurder. Dat merken landen als Argentinië en Turkije op twee manieren. Zo zijn er flink meer lira’s en peso’s nodig om een dollar te kunnen kopen. Ineens hebben al die bedrijven, banken, huishoudens en overheden veel meer lokale valuta nodig om de dollars te kopen die gemoeid zijn met het elke maand betalen van de rente en aflossing. Verder hebben ze ook nog eens meer dollars en dus meer lokale valuta nodig dan eerder omdat het variabele rentepercentage stijgt en ze dus een groter bedrag aan dollars moeten betalen aan rentevergoeding. Veelal kozen ze bij het afsluiten van de leningen voor een variabele rente, die toen laag was.

Het dilemma voor de Fed is dat die de rente moet afstemmen op de noden van de Amerikaanse economie en daarom de tarieven nu moet verhogen, maar dat dit tegelijk leidt tot grote problemen in veel andere landen. Dat kan op zijn beurt de mondiale groei vertragen en dat steekt weer een spaak in de wielen van de Amerikaanse economie zelf. Wat de oplossing van de laatste crisis was, de langdurig lage rente, kan zo de kiem leggen voor een nieuwe crisis in de wereld.

Deze column is 18 augustus jl. verschenen in het Reformatorisch Dagblad