Pinnen uit voorzorg: het Lehman-moment van Edin Mujagic

Het waait wel over, dacht econoom Edin Mujagic aanvankelijk toen Lehman Brothers failliet ging. Het was immers niet de eerste Amerikaanse bank die in 2008 omviel. Voor de monetair econoom brak echter een unieke en interessante tijd aan: alle monetaire wetten en regels werden overboord gezet.

Verwonderd, dat was ik wel. Maar het gevoel dat we aan het begin van een historische gebeurtenis stonden, had ik eerlijk gezegd niet toen ik in september 2008 hoorde dat de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers failliet was. Natuurlijk, ook ik zette meteen CNN aan, maar wel met in mijn achterhoofd dat die zender uitblinkt in het overdrijven, met zijn situation rooms, inbreken in live gesprekken met breaking news waarvan je je even later afvraagt wat er nu zo ‘breaking’ aan was. Bovendien stond de economie er op dat moment sowieso niet heel florissant voor. Sinds eind 2007 was de groei al behoorlijk gezakt, Amerika kampte met een crisis rond subprime hypothekenen we hadden al een bankfaillissement meegemaakt. Zakenbank Bear Stearns was eerder in 2008 failliet gegaan, zonder dat het tot een ramp had geleid die we nog nooit eerder hadden gezien.

Nee, ik keek meer uit naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen die toen maar minder dan twee maanden verwijderd waren. Ik was me ervan bewust dat als Amerika niest, Europa verkouden wordt. Toch ging ik ervan uit dat de knauw die onze economie ongetwijfeld zou oplopen, na enige tijd zou bijtrekken. En ik was aan het genieten. Enkele maanden voor Lehman zag mijn zoontje het daglicht en als redacteur van zakenweekblad FEM Business was ik in de gelegenheid om met voormalig Fed-voorzitter Paul Volcker, dé Paul Volcker, te praten over economie. In New York, waar een euro op dat moment 1,59 dollar opleverde, meer dan ooit, zo bleek achteraf.

Mijn persoonlijke Lehman-moment zou pas enkele weken na het omvallen van Lehman plaatsvinden. Op vrijdag 3 oktober kondigden de minister-president, de minister van Financiën en de president van De Nederlandsche Bank gezamenlijk in een dramatische persconferentie aan dat de Nederlandse overheid de Nederlandse delen van de bankverzekeraar Fortis nationaliseerde. Dinsdag 7 oktober was ik aan het werk bij FEM Business toen er geroezemoes ontstond op de redactievloer. Het bleek ineens niet mogelijk in te loggen bij Icesave, een IJslandse internetspaarbank die de Nederlandse spaarmarkt in een mum van tijd had veroverd door een aanmerkelijk hogere rente te bieden dan de concurrentie deed.

Het ging niet om een storing: Icesave was failliet. Er brak grote onrust uit. Hoe sterk zijn de andere banken eigenlijk? Kan ik morgen nog wel bij mijn geld komen? Als ABN Amro gered moest worden, zijn er dan überhaupt nog wel veilige Nederlandse banken? What about ING? Enkele colllega’s vergrendelden hun computers en liepen in allerijl naar de dichtstbijzijnde geldautomaat om uit voorzorg geld te pinnen.

Wat zich vanaf toen – en de tien jaar erna – zou afspelen, is voor een monetair econoom alleen maar te omschrijven als uniek en bijzonder. Alles wat ik had geleerd over wat een centrale bank in zo’n situatie vooral niet zou moeten doen, gebeurde toch. De rentes daalden naar 0 procent en de Fed begon op grote schaal schatkistpapier op te kopen. Dat was altijd het monetaire equivalent van vloeken in de kerk geweest.

Onheilspellend

Tien jaar later kijk ik terug naar wat ook voor mij in elk opzicht een turbulente periode is geweest. Ik  ben blij dat de ergste crisis sinds de Grote Depressie achter de rug is. Maar als ik de blik naar voren wend, kan ik niet zeggen dat ik gerustgesteld ben.

De schulden van de overheden en huishoudens waren in 2008 dusdanig hoog dat ze de crisis hebben verergerd. Inmiddels zijn ze aanmerkelijk hoger dan toen. Centrale banken varen nog steeds blind op ronkende economische modellen teneinde hun beleid te bepalen. Dat zijn dezelfde modellen die de laatste crisis totaal niet wisten te voorspellen en die keer op keer meldden dat herstel nabij zou zijn. Het zijn nog steeds modellen waar, hoe gek dat ook mag klinken, variabelen zoals geld of schulden niet of nauwelijks in zitten. De strengere regelgeving voor de financiële sector – een van de lessons learned was dat de banken te veel vrijheid hadden gekregen in de jaren voor de crisis – die in eerste instantie werd opgetuigd, wordt nu alweer afgebroken. En centrale banken zoals de Fed, de Bank van Japan en de Europese Centrale Bank (ECB) hebben hun rentes op zeer lage niveaus (Fed), of zelfs nog steeds op 0 procent (ECB) staan.

In de wetenschap dat een nieuwe periode van lage groei en recessie geen kwestie is van of, maar van wanneer, volstaat nu kennelijk het verweer dat de natuurlijke ontwikkeling van een economie er altijd eentje is van op- en neergangen. Maar juist daarover maak ik me grote zorgen. Wanneer straks een minder goede economische periode aanbreekt, zal dat gebeuren in een periode dat de economie waarschijnlijk kwetsbaarder is dan in 2008, terwijl de krachtige monetaire instrumenten die we toen tot onze beschikking hadden, namelijk volop ruimte de rentes te verlagen, stuk zijn. Wij gaan die nieuwe crisis zonder wapens tegemoet, en zijn daarnaast ook nog eens zeer verdeeld. Internationaal bezien is de kans op eensgezind optreden klein, gelet op de afgekoelde relatie tussen de VS en de Europese landen en de modus operandi van de bewoner van het Witte Huis. In ons eigen Europese huis is de situatie eveneens verre van optimaal.

Last but not least: onze banken zijn niet bepaald sterk te noemen. Ja, allerlei stress tests laten zien dat ze een behoorlijke schok kunnen overleven, maar onheilspellend is dat ervaren, voormalig hooggeplaatste mensen zoals ex-ministers van Financiën en oud-centralebankiers onomwonden zeggen dat die stress tests een lachertje zijn.

Om een regelrechte ramp bij een volgende neergang te voorkomen, zullen de banken opnieuw gered moeten worden, of we dat nu leuk vinden of niet. Maar omdat bankiers hebben laten zien dat ze bar weinig hebben geleerd van de crisis van 2008, zal zo’n hulpprogramma op weinig steun van de maatschappij kunnen rekenen. Dat kan de weg openen voor meer populisme, en meer frictie binnen en tussen landen. Dat economische modellen tot en met 2020 gezonde economische groei voorspellen, is in mijn ogen – gezien de ervaringen met die modellen – eerder zorgwekkend dan geruststellend te noemen.

Een overeenkomst tussen 2008 en 2018 is in elk geval: later dit jaar zit ik weer aan de koffie met Volcker om rustig bij te praten over ontwikkelingen in de economie, op de markten en in de wereld. Mijn euro koopt echter bij lange na geen 1,59 dollar meer. Trouwens, ook nu kijk ik met spanning uit naar een Amerikaanse verkiezing.

Voor mij persoonlijk heeft Lehman op professioneel gebied een belangrijke structurele verandering teweeg gebracht. Ik was altijd al een groot liefhebber van geschiedenis, maar ben me na 2008 in het bijzonder gaan verdiepen in de monetaire historie. Wat ik daaruit leer, is dat we zelden op economische en financiële crises voorbereid zijn, omdat we de signalen missen dat er iets niet goed zit. Pas achteraf vragen we ons met verbazing af hoe we die signalen over het hoofd konden zien.

Ik heb niet het gevoel dat dat anno 2018 anders is. Helaas. Ronduit frustrerend vind ik dat ons economisch onderwijs evenveel aandacht schenkt aan economische geschiedenis en de waardevolle lessen die je daaruit kunt trekken als het voor de laatste crisis deed –  geen enkele.

Deze column is 11 september jl. verschenen op ftm.nl

2018-09-12T10:02:23+00:00september 12th, 2018|- Columns, Edin Mujagić|