0,06 procent onder 0. Dat is de stand van de tienjarige rente die de Nederlandse Staat betaalt op het moment van schrijven. In temperatuurtermen zouden we zeggen dat het licht vriest. Net als een weerman, kijken ook economen naar een aantal factoren voor een voorspelling op de korte termijn over het verdere verloop van de lange rentes.

Een belangrijke factor daarbij zijn de plannen van de Europese Centrale Bank. Die gaf vorige week aan de officiële rente tot minstens de zomer van 2020 op 0 procent te houden. In mijn optiek is dé hamvraag wanneer de bank die verwachting zal verlengen tot ‘minstens eind 2020’. Als dat eind dit of begin volgend jaar gebeurt, zal ik niet raar opkijken.

Inflatie

Veel bestuursleden pleitten inmiddels ervoor het net opgeborgen beleid van kwantitatieve verruiming weer van stal te halen, omdat de inflatie in de muntunie maar niet richting 2 procent wil klimmen.

Afgaand op de verwachtingen die de ECB-economen over geldontwaarding hebben voor 2020 én 2021 – namelijk veel te laag – is de kans groot dat dat opkopen van staats- en bedrijfsobligaties inderdaad weer zal beginnen ergens in de komende kwartalen.

Dat alles kan er voor zorgen dat de lange rentes in de sterke eurolanden, zoals Nederland en Duitsland, voorlopig onder het rentevriespunt blijven liggen. Maar dat betekent niet dat daarmee een rente-ijstijd is begonnen!

Toen de ECB voor het eerst kwantitatieve verruiming inzette in de strijd tegen dreigende deflatie, was dat nieuw beleid. Dat betekende onder meer dat het schokeffect behoorlijk was. Bovendien dreigde, zoals gezegd, deflatie. Een behoorlijk stuk van de lange rentes is de vergoeding voor ínflatie.

Minder effect

Als de ECB opnieuw start met het opkopen van obligaties, dan zou het zomaar kunnen dat het effect én veel minder sterk én minder langdurig wordt dan in het verleden. Dit om een aantal redenen, bijvoorbeeld doordat de omvang waarschijnlijk niet veel groter dan zijn dan voorheen. Daarnaast onderstreept de ECB bijna wekelijks dat ze klaarstaat dat opkopen te starten, wat betekent dat beleggers al lang en breed geanticipeerd hebben daarop. Vandaar de recente sterke daling van de lange rentes in de sterke eurolanden.

Het effect kan daarnaast ook minder langdurig zijn dan de eerste keer, omdat de kans dat de inflatie in de komende jaren zal stijgen niet te verwaarlozen is. Toenemend protectionisme in de wereld kan voor opwaartse druk op de prijzen leiden. Hetzelfde geldt voor de andere kostenfactoren, waaronder lonen. In de VS bijvoorbeeld neemt het tempo waarmee het aantal banen per maand toeneemt, duidelijk af. Dat komt vooral doordat de vijver van werklozen waaruit bedrijven vissen, leeg raakt. Dat betekent dat arbeid schaarser wordt en dus duurder. Vandaar dat de lonen recent sneller zijn gaan stijgen dan in de afgelopen jaren.

Het is een kwestie van wanneer bedrijven die stijgende kosten zullen gaan doorberekenen in hun prijzen. Het alternatief is winstmarge inleveren en daar zitten hun aandeelhouders niet op te wachten. Onderzoek wijst uit dat inflatie in de eurozone vooral beïnvloed wordt door ontwikkelingen buiten de eurogrenzen.

Het is waar dat uit prijzen op de derivatenmarkten valt af te leiden dat de markt inflatie de komende jaren ziet dalen. Vergeet alleen niet dat het zeker niet voor het eerst zou zijn dat de markt ernaast zit.

Waar de lange rentes in Duitsland en Nederland de komende maanden onder het rentevriespunt lijken te blijven, lijkt een rente-ijstijd onwaarschijnlijk. De rentedooi is nog niet bepaald om de hoek maar komt er wel aan. Waar bij dit alles wél sprake kan zijn van een rente-ijstijd is op één specifieke maar voor velen zeer belangrijke markt, namelijk die van spaarrentes.

Deze column is 13 juni jl. gepubliceerd in DFT.nl